‘Het was zwaar werk, maar ik vond het geweldig op de MD3’

Bij Han van den Nieuwendijk vloeit het zeewater door zijn aderen. In zijn winkel, de Flakkeesche Bazar, zijn tussen de potten en pannen, koppen en schotels en tal van andere huishoudelijke waren bewijsstukken te zien: oude foto’s van een vissersschip. Het is de MD3, waarmee hij meer dan een halve eeuw geleden het Haringvliet op ging om aal en spiering te vangen. Hij kan er, puttend uit een rijke bron van herinnering, boeiend over vertellen.

“Ik was een ventje van een jaar of zeventien, achttien toen ik bij Aren Groen op de MD3 werkte. Ik ben van 1948, dus het moet tussen 1965 en 1970 zijn geweest. 1966, 1967, schat ik. Hooguit twee seizoenen. Arens neef Henk, de zoon van de sluiswachter, was van boord gegaan. Hij bleef wel vissen. Henk had een scheepje en kwam bij ons weleens aan boord om aas te halen. Via het Arbeidsbureau in de Hoflaan hoorde ik van een familielid dat er werk was op de MD3: ‘Is dat niets voor jou, wil je niet gaan helpen?’ Het leek me wel wat, het water zit nu eenmaal in mijn aderen…”

Naar Flakkee

Ter illustratie vertelt Van den Nieuwendijk dat een verre voorvader van hem in 1670 omkwam ter hoogte van de Doggersbank. “Een familielid heeft dat uitgezocht. Het staat in de kerkelijke archieven. Niet niks hoor, hij liet een gezin met een hoop kinderen achter…” Toen was de familie Van den Nieuwendijk nog in Brabant gevestigd. In Lage Zwaluwe om precies te zijn. Later verhuisde een van de voorouders van Han naar Flakkee. Daar, aan de Westdijk in
Middelharnis, kwam meer dan honderd jaar geleden de basis te liggen voor wat nu de Flakkeesche Bazar is.

Kano’s en zeilboten

“Mijn moeder deed de winkel, samen met een winkelmeisje. M’n vader was meer een loodgieter. Hij verkocht veel kachels. In het pakhuis, waar die kachels stonden, maakte ik als kleine jongen kano’s om mee te varen. Ja, ik ben altijd dol op water geweest… Ik heb wel vijf zeilboten gehad.” Op het moment dat Han het bericht kreeg dat er iemand nodig was op de MD3, werkte hij mee in de winkel. Hij hoefde niet lang te twijfelen om aan te monsteren als hulpje van Aren Groen. “Hoe oud Aren toen was? Hij was al een oudere man. Ik denk dat hij rond de zestig was. Het was zwaar werk. En dat terwijl Aren zware shag rookte… ‘Gerookt vlees gaat langer mee’, zei hij altijd.” Het was wel even omschakelen voor Van den Nieuwendijk. Vooral op maandag, als hij zich in de vroege ochtend aan boord van de MD3 moest melden. Rond een uur of drie vertrok het schip vanaf Middelharnis-Havenhoofd. “Ik kwam wel eens iets te laat… Aren zei dan: ‘Je kunt beter aan boord slapen’. Meestal waren we bijna de hele week weg. Op vrijdag kwamen we weer terug, maar soms pakten we op zaterdag nog een tij mee. Het gebeurde ook wel dat we half in de week al terug naar de haven gingen. Vooral tegen de tijd van de afsluiting van het Haringvliet. Toen namen de vangsten wel af.”

Tanen en teren

Wekelijks het water op om te vissen, dat ging bijna het hele jaar door. “Vakantie had je niet.” Alleen in het voorjaar zag het programma er even anders uit. Dan stond het onderhoud van het schip en de netten op het programma. “Het was een grote klus om de netten goed te houden. Dat gebeurde door ze te tanen. In het voorjaar knapten we ook de buitenkant van het schip op door het te verven, vlak voor Hotel Jacobi. Voor de uitgang van het havenkanaal had je een zandbank die je kon gebruiken om de romp te teren. Je voer het schip ernaartoe met hoog tij. Bij laagtij viel de zandbank droog en kon je aan de slag met de romp. Teren tussen twee tijen in, in Engeland doen vissers het nog steeds op deze manier.” Je was met z’n tweeën aan boord van de MD3 – eerst Aren en zijn neef Henk, later Aren en Han van den Nieuwendijk – en die vier handen had je hard nodig. Vooral voor het overboord zetten en weer binnenhalen van al die kubben. Behalve deze fuiken voor het vissen op aal had de MD3 ook een groot net, een zogenoemde kuil, aan boord om aas en spiering mee te vangen.

Kubben en kuil

“In het voorjaar begon je met het vangen van aal. Daar gebruikten we de kubben voor, een soort fuiken, die zo waren gebreid dat de vissen niet terug konden zwemmen. Je ving eerst aas met de kuil: vooral kleine spierinkjes, maar – verder de rivier op – ook wel stekelbaarsjes. Dat aas deed je onder in de kubben. Alleen met verse aas kon je alen lokken. Aren kende de plekken in het Haringvliet waar de meeste aal zat. Daar zetten we de kubben met aas zes uur voor de volgende vloed overboord. In rijen van vijftig, stuk voor stuk met elkaar verbonden door een touw van een meter of tien. Bij het wisselen van het tij moest je al die kubben – het waren er in totaal tweehonderd – weer binnenhalen, tegen de stroom in. Zo viste je op het tij, steeds weer.” “Zwaar werk was het. Je handen waren één en al blaar. Maar je mocht er niks op smeren. Je moet er maar aan wennen, was het verhaal. Op den duur kreeg je inderdaad eelt op je handen. Maar in het begin was het best een pijnlijke kwestie… Een hele klus was het ook als de kubben door een storm helemaal verward waren geraakt. Dan moest je de hele boel weer ontrafelen. Soms haalden stropers de kubben leeg.”

Alen zo dik als je arm

Na het binnenhalen, volgde het sorteren van de vangst, tot alle kubben leeg waren. Van den Nieuwendijk: “Je ving alen zo dik als je arm. Die kon je niet zomaar beetpakken. Je had twee handen nodig om ze te sorteren. Maar er kwamen ook duimse alen uit het net. Duimse? Ja, die waren zo dik als je duim, maar misschien was het ook wel een Engelse maat. En glasaaltjes. Die bewaarden we in de grote bun. De coöperatie kwam ze ophalen om weer uit te zetten. Ook in dichte mist wisten ze je perfect te vinden, zonder de navigatiemiddelen van nu.” Behalve alen zaten er ook wel krabben in de kubben. Geen zalm? “Nee. Hoewel, een heel enkele keer vingen we een schotzalm. Maar dat was met de kuil. De beesten sprongen meters omhoog, je moest ze echt uit hun lijden helpen. Via de coöperatie kwamen die vissen bij restaurants terecht.”

Vissen met de kuil

Dat brengt ons bij die andere vismethode op de MD3: vissen met de kuil. De kuil is een groot visnet met een opening die je kon aanpassen: een vierhoekig raam of twee balken. Van den Nieuwendijk herinnert het zich nog goed. “De dubbele balken gebruikten we als we op aas gingen vissen en het raam voor spiering. De reden zou ik niet precies weten. Misschien heeft het te maken met de diepte waarop de vissen zich bevinden: spiering lager in het water en aas meer aan de oppervlakte.” De aasvisserij was in het voorjaar en de zomer en de spieringvisserij van het najaar tot in de winter. “We voeren de rivier op tot aan Den Bommel. Daar had je het Ventjagersgaatje – dat is er nu niet meer – en dat was een goede stek om spiering te vangen. Een andere visser wist dat ook. Omdat die een betere motor had, was hij er vaak eerder dan wij.”

Zes uur op, zes uur af

“Hoe de kuilvisserij in zijn werk ging? Nou, je ging naar een gunstige plek – Aren wist precies waar die waren – en daar gooide je je anker uit. Je maakte de kuil met een kabel vast aan de ankerketting en als je die liet vieren, trok je de kuil zo naar de zijkant van het schip. Op de stroming. Aan het eind van het tij trok je het net met een lier omhoog en kwam het, stukje bij beetje, als een lange slurf op het schip te liggen. Dan was het een kwestie van de vis – spiering en een enkel platvisje – eruit halen tot de kuil leeg was.” “En dan kon je pitten tot het volgende tij. Zes uur op, zes uur af, een hele week lang. Slapen lukte prima, want je was moe en versleten, al was het vissen met de kuil wel wat rustiger en minder zwaar dan met de kubben.” Veel te sorteren was er ook niet: in de zomer kwam er een bak met aas uit de kuil en in de winter spiering, spiering en nog eens spiering.

Lange lieslaarzen

Nee, echte vaardigheden had je niet nodig voor dit werk, vindt Han van den Nieuwendijk. “Maar het moest wel in je zitten. Het praktische, net zoals bij het leggen van een knoop.” Je hoefde ook niet per se speciale kleding te hebben als je aan boord was. Aren had wel een soort boezeroen, een leren schort en lange lieslaarzen aan, maar Han was op de MD3 gehuld in zijn gewone kloffie. “In de zomer kon je in je shirt aan boord.” Wel had ook hij lieslaarzen. Het leven op het schip bestond uit werken en slapen, zoals we zagen. Tussendoor was er natuurlijk tijd om wat te eten. “We aten brood met kaas of witte kristalsuiker. Een enkele keer een visje, maar veel werd er niet gebakken aan boord.”

Vis van de Groenen

Uiteindelijk draaide het vanzelfsprekend allemaal om de vangst. “Na het sorteren kwam de vis in laden opgestapeld op het dek. Er stonden wel tien laden op elkaar. Nee, schoonmaken deden we de vissen niet. Vishandelaren kwamen de vangst ophalen. Over de hoeveelheden aal – het was aardig wat – en andere vis is mij nooit iets verteld. En over de besomming ook niet. De coöperatie en de vishandelaren zorgden voor de betaling. Daarna ging het naar de winkel: Van der Velde in Den Bommel en Tamboer in Middelharnis. Ze hadden het over vis van de Groenen.” Van den Nieuwendijk ontving zijn loon op zaterdagavond. “In een envelopje, denk ik. Wat ik verdiende was afhankelijk van de besomming. Daar kreeg ik een deel van, op basis van goed vertrouwen. Hoeveel het was weet ik niet meer. Het zal wel peanuts zijn geweest… Maar geld was voor mij niet het belangrijkste. Dat was het plezier dat ik had: lekker buiten op het water. Rust, ruimte, zee en zeelucht… Heerlijk! Ik vond het geweldig, ik had het echt naar m’n zin.”

Kritiek moment

Het is ongeveer vijfenvijftig jaar geleden, maar de herinnering blijft levend. Ook aan die keer dat een binnenschip in dichte mist rakelings langs de MD3 voer, toen het schip van Aren Groen tussen Tiengemeten en de Hoeksche Waard in het Vuile Gat lag. En ook aan de motor van de MD3, een kopbrander met een voorgloeikop die je eerst moest verwarmen voordat het aanslingeren kon beginnen. “Dat deed Aren, ik mocht er niet aankomen. Het was een precisiewerkje: het wiel moest exact goed staan, anders ging het mis… Hoeveel lieren er aan boord waren? Twee: de ankerlier en een handlier om het net omlaag of omhoog te bewegen. Bij het hijsen kon het schip helemaal scheef komen te liggen. Dat was een kritiek moment. Je moest gauw hijsen, anders zou je ondersteboven kunnen raken…” Van den Nieuwendijk kent de historie van de MD3. Hij weet dat het schip oorspronkelijk een torpedistenschokker was. “Heel interessant.” Hij weet ook dat de Groenen niet alleen op het Haringvliet actief waren, maar ook in de zeegaten, tot voor de kust bij Rockanje. “Voor de stroomgaten kwamen ze ook wel eens bij elkaar met andere vissers, zoals Thijs de Visser uit Moerdijk. Die viste trouwens na de afsluiting nog buiten de sluizen met fuiken.”

Grote emotionele waarde

Ook weet hij dat de MD3 in 1970 voor ongeveer 20 duizend gulden is verkocht aan Henk Hortensius in Enkhuizen. “Ik heb altijd contact met hem gehouden en hem ook foto’s en tekeningen gestuurd. Henk Hortensius heeft de MD3 al die tijd goed onderhouden, ook door de romp regelmatig te teren.” Dat het schip in goede staat is, is een opsteker voor de Stichting Visserij Historie Middelharnis én Flakkee. “Het zou fantastisch zijn als de MD3 naar Middelharnis komt. De terugkomst heeft voor mij een grote emotionele waarde en is goed om de visserijgeschiedenis van Middelharnis levend te houden. Hoeveel mensen uit het dorp hebben er niet gevaren, vaak op oude, rotte vissersschepen… We hebben geen notie van de bittere armoede… De MD3 is het laatste schip dat een link heeft met ons visserijverleden. Het zou een prachtige blikvanger zijn, hier in Middelharnis. Ik zou de MD3 graag de haven binnen willen varen. Tja, het zeewater stroomt nu eenmaal door mijn aderen.”

door Kees van Rixoort